Huurovereenkomst naar aard niet van korte duur

De verhuurders zijn na het overlijden van hun moeder eigenaren geworden van een appartement. Het appartement is via Rots-Vast verhuurd. De huurovereenkomst draagt als kop ‘tijdelijke huurovereenkomst woonruimte’ en is aangegaan voor de duur van één jaar. De huurovereenkomst vermeldt dat de verhuurders vanwege privéredenen (verblijf elders) geen gebruik maken van het appartement en bevat diverse verwijzingen naar de Leegstandwet. Een vergunning op basis van de Leegstandwet is niet aangevraagd. De huurovereenkomst is niet opgezegd tegen het verstrijken van de overeengekomen duur van één jaar. De verhuurders hebben de huurovereenkomst vervolgens opgezegd. Daarbij hebben zij zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een huurovereenkomst die naar aard van korte duur is, althans dat huurders in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelen door zich te beroepen op huurbescherming. De verhuurders vorderen in deze procedure ontruiming van het appartement. De kantonrechter wijst de vordering af. De kantonrechter overweegt: “De stelling van [de huurder] dat door het enkele ontbreken van een vergunning als bedoeld in artikel 15 van de Leegstandwet geen sprake is van huur als bedoeld in artikel 15 van de Leegstandwet, is rechtens onjuist. Of er sprake is van gebruik van woonruimte dat naar zijn aard van korte duur is, zal immers uit de omstandigheden van het geval moeten worden afgeleid. Daarbij geldt in omgekeerde zin wel dat indien er een vergunning als bedoeld in artikel 15 van de Leegstandwet was verleend, zulks met zich meebrengt dat de algemene regeling betreffende huur van woonruimte, zoals vastgelegd in afdeling 5 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW), op de onderhavige huurovereenkomst niet van toepassing zou zijn geweest. Vanwege het ontbreken van een vergunning is in elk geval in het onderhavige geval de algemene regeling betreffende huur van woonruimte, zoals vastgelegd in afdeling 5 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW), op de onderhavige huurovereenkomst wel van toepassing. Dit brengt met zich mee dat de kantonrechter heeft te beoordelen of er in het onderhavige geval sprake is van een huurovereenkomst welke een gebruik van woonruimte betreft dat naar zijn aard slechts van korte duur is, zoals bedoeld in artikel 7:232 lid 2 BW.”. De kantonrechter overweegt dat dit ondanks de diverse bijzondere bepalingen in de huurovereenkomst niet het geval is, omdat de verhuurders na het verstrijken van de duur van één jaar stil hebben gezeten en er voor het overige geen sprake is van bijzondere omstandigheden. De omstandigheid dat zich een koper heeft gemeld, kwalificeert niet als zodanig, omdat het appartement al jaren te koop staat en juist aanleiding is geweest om het appartement te gaan verhuren. “Naar het oordeel van de kantonrechter had het op de weg van [de verhuurders] gelegen om jegens [de huurder] haar belang te bewaken, namelijk dat de woning voor haar ter vrije beschikking zou kunnen komen indien deze zou zijn verkocht. Daarvoor had zij [de huurder] na ommekomst van de overeengekomen huurperiode duidelijk moeten maken dat er sprake was en bleef van een huurovereenkomst betreffende gebruik van woonruimte dat naar zijn aard van korte duur zou zijn en dat het voortgezet gebruik van de woning slechts met haar toestemming zou kunnen worden voortgezet zo lang de woning niet zou zijn verkocht althans voor de daarbij overgekomen duur en ook dat zij zich daarbij aantoonbaar voldoende verkoopinspanningen getroostte om tot verkoop van die woning te komen.”.

Rechtbank Noord-Nederland 17 oktober 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:5058

Meer info, klik dan hier.