Bruikleen geen huur (3)

Appellanten hebben een zomerhuisje toebedeeld gekregen dat gelegen is op grond die van een derde wordt gehuurd. Appellant sub 1 heeft een relatie met geïntimeerde gehad. Appellanten zijn na de beëindiging van die relatie met geïntimeerde overeengekomen dat hij in het zomerhuisje mag verblijven totdat hij een nieuwe woning heeft. Verder is (schriftelijk) niets overeengekomen omtrent het gebruik van het zomerhuisje door geïntimeerde. Vaststaat dat geïntimeerde aan appellanten geen financiële tegenprestatie is verschuldigd voor het gebruik van het zomerhuisje. Wel voldoet geïntimeerde huur voor de grond en de servicekosten voor het gebruik van het zomerhuisje. Appellanten vorderen een verklaring voor recht dat geen sprake is van huur, maar van bruikleen. Voorts vorderen appellanten dat geïntimeerde tot ontruiming veroordeeld wordt. Het hof is van oordeel dat geen sprake is van het voldoen van een tegenprestatie als bedoeld in artikel 7:201 lid 1 BW door geïntimeerde aan appellanten voor het gebruik van het zomerhuisje. Daarom wordt geoordeeld dat sprake is van een bruikleenovereenkomst. Geïntimeerde heeft niet weersproken dat hij op grond van de bruikleenovereenkomst gehouden is zich in te spannen om elders een woning te vinden. Hij heeft evenmin betwist dat hij niet of onvoldoende aan deze op hem rustende verbintenis voldoet. Aldus komt het hof tot de slotsom dat geïntimeerde de verplichting om elders woonruimte te vinden onvoldoende is nagekomen, terwijl het hof reeds gezien het tijdsverloop in deze zaak aannemelijk acht dat het zomerhuisje heeft kunnen dienen voor het gebruik waartoe het werd uitgeleend. Het hof is van oordeel dat de redelijkheid en billijkheid in de gegeven omstandigheden meebrengen dat de beëindiging van de bruikleenovereenkomst gerechtvaardigd is en appellanten teruggave mogen verlangen van het zomerhuisje. De vordering tot ontruiming zal dan ook worden toegewezen. Het hof ziet aanleiding de ontruimingstermijn te bepalen op drie maanden na de datum van dit arrest. Hierbij wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat het hier gaat om een bruikleenovereenkomst met betrekking tot woonruimte en de financiële situatie van geïntimeerde.

Hof Arnhem-Leeuwarden 23 december 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:10164

Meer info, klik hier.